Verdeling van de arbeidsplaatsen naar plaats van tewerkstelling

Vierde kwartaal 2019

Periodiciteit: Kwartaal

Laatste updates: 09/03/2021

We presenteren statistieken over werknemers onderworpen aan de sociale zekerheid volgens hun plaats van tewerkstelling. Dit is meer bekend als de ‘gedecentraliseerde statistiek’. Ze bevatten informatie over de vestigingseenheden en hun grootte, en leren hoeveel arbeidsplaatsen (en lokale vestigingseenheden van werknemers) er zijn in een bepaalde regio, provincie of arrondissement. De statistieken worden opgemaakt op basis van de vestigingseenheden (of lokale eenheden) van de ondernemingen waar de werknemers tewerkgesteld zijn. Ze kunnen niet gebruikt worden om conclusies te trekken over de evolutie van de ondernemingen zelf, zeker niet over de kleine en middelgrote ondernemingen.

Waarnemingssfeer

De waarnemingssfeer van de statistieken in deze brochure omvat het geheel van de werkgevers en de werknemers die onderworpen zijn aan de sociale zekerheid voor bezoldigde werknemers. Deze onderwerping berust op het verlenen van prestaties in uitvoering van een arbeidsovereenkomst of van prestaties die hiermee overeenkomen (bijvoorbeeld statutaire werknemers bij de overheidsdiensten).

De prestaties van de betrokken werknemers werden aangegeven bij de RSZ, met inbegrip van alle werknemers met een speciaal socialezekerheidsregime. Dit zijn bijvoorbeeld:

  • mijnwerkers en de hiermee gelijkgestelden,
  • werknemers van provincies en gemeenten,
  • werknemers van OCMW’s, intercommunales en andere lokale openbare instellingen
  • zeelieden van de koopvaardij.

Bepaling van de statistiekeenheden

De arbeidsplaats

De telling van de arbeidsplaatsen op het einde van een kwartaal gebeurt door op dat moment het aantal werknemers bij elke werkgever te tellen.

Volgende werknemers worden geteld:

  • Diegenen die op de laatste arbeidsdag van het kwartaal op het werk aanwezig waren,
  • Diegenen wiens arbeidsovereenkomst niet verbroken is maar wel geschorst, wegens:
    • ziekte of ongeval,
    • zwangerschaps- of bevallingsrust,
    • wederoproeping onder de wapens, en
    • de werknemers die op de beschouwde dag niet op het werk aanwezig zijn wegens verlof, staking, gedeeltelijke of toevallige werkloosheid of al dan niet verantwoorde afwezigheid.

Werknemers in voltijdse loopbaanonderbreking of voltijds tijdskrediet worden niet meegeteld. Werknemers die op de laatste dag van het kwartaal bij meer dan een werkgever zijn tewerkgesteld, worden meermaals geteld.

Werknemers die bij eenzelfde werkgever verschillende gelijktijdige arbeidsbetrekkingen uitoefenen (eventueel onder verschillende hoedanigheden of onder verschillende contracten) worden als 1 arbeidsplaats geteld. De kenmerken van de belangrijkste prestatie worden weerhouden. De bepaling hiervan gebeurt in geval van meerdere gelijktijdige arbeidsovereenkomsten volgens de volgende criteria (in dalende orde van belangrijkheid):

  • type betrekking (voltijds, deeltijds, ...),
  • hoogste bruto-bezoldiging,
  • hoogste arbeidsvolume,
  • hoogste aantal gelijkgestelde dagen.

Voornamelijk in het onderwijs kan de telling van de arbeidsplaats afhankelijk zijn van administratieve regelingen. Leerkrachten en ondersteunend personeel worden aangeworven door de inrichtende machten. Het zijn echter de departementen Onderwijs van de Gemeenschappen die optreden als werkgever ten opzichte van de RSZ. De inrichtende macht treedt alleen op als werkgever voor de arbeidsprestaties die niet bezoldigd worden door de departementen.
Hierbij is het zo dat een leerkracht die in meerdere scholen werkt als slechts 1 arbeidsplaats geteld wordt wanneer deze volledig bezoldigd wordt door het departement Onderwijs. Dit geldt zelfs wanneer de leerkracht voor verschillende inrichtende machten werkt. Voert een leerkracht in een school opdrachten uit die ten laste vallen van de inrichtende macht, naast een door het departement Onderwijs bezoldigde opdracht, worden 2 arbeidsplaatsen geteld.

Inrichting - vestigingseenheid

Het uitgangspunt: de werkgever

In principe is de basiseenheid de bijdrageplichtige werkgever die in die hoedanigheid ingeschreven is bij de RSZ en die in de loop van het behandeld kwartaal werknemers in dienst had onderworpen aan de sociale zekerheid. Dit begrip omvat zowel rechtspersonen (vennootschappen en dergelijke), als natuurlijke personen die, ten aanzien van de wet, de hoedanigheid van werkgever bezitten.

De vroegere gedecentraliseerde notie: de inrichting

Tot en met 2002 werd in de gedecentraliseerde statistieken de term inrichting gebruikt:

  • wanneer de werkgever één enkele uitbatingszetel en één enkele activiteit had, en maar één aangifte instuurde, was de inrichting gelijk aan de werkgever;
  • wanneer de werkgever minstens twee afzonderlijke bedrijfszetels (bijhuizen of technische afdelingen) bezat en/of verschillende activiteiten uitoefende, werd elke zetel en, voor eenzelfde zetel met twee of meer activiteiten, elke activiteit een eenheid inrichting. De verschillende in dezelfde gemeente gelegen zetels met dezelfde activiteit werden echter samen als één statistiekeenheid beschouwd.

De nieuwe gedecentraliseerde notie: de vestigingseenheid

De wet die de oprichting regelt van de Kruispuntbank van Ondernemingen introduceert de vestigingseenheid als een plaats die geografisch kan worden geïdentificeerd met een adres en waar ten minste één activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend of van waar uit de activiteit wordt uitgeoefend. De notie van vestigingseenheid komt overeen met de notie van lokale eenheid zoals opgenomen in de definitie van statistische eenheden in de NACE-Bel 2008 handleiding.

Aan elke vestigingseenheid wordt door de Kruispuntbank van Ondernemingen een uniek identificatienummer toegekend. Sommige ondernemingen kunnen wel personeel tewerkstellen in België, zonder over een vestigingseenheid ingeschreven in KBO te beschikken. Het betreft de werkgevers van huispersoneel en de buitenlandse ondernemingen zonder vestiging in België.

In de telling van het aantal vestigingseenheden worden enkel de vestigingen met bezoldigde werknemers opgenomen. Elke werkgever telt voor minstens één vestigingseenheid, ook al is er geen vestigingseenheid ingeschreven in KBO.

Wijze van opmaken

De multifunctionele aangifte voorziet op het niveau van de werknemer een uniek veld voor het identificatienummer van de vestigingseenheid van de onderneming waar of van waar uit deze werknemer tewerkgesteld is. De werkgevers wordt gevraagd om aan te duiden tot welke vestigingseenheid de werknemer behoort. Voor de periode tot en met 2013 gold de verplichting tot vermelding van de vestigingseenheid enkel voor werkgevers met meerdere vestigingseenheden. Vanaf 2014 geldt de verplichting voor alle werkgevers.

De arbeidsplaatsen worden dan verdeeld volgens de statistische codes (sector, activiteit, lokaliteit) van de vestigingseenheid.

Classificatiecriteria

Kenmerken verbonden met de arbeidsplaats

Het gebruik van het identificatienummer van de sociale zekerheid biedt de mogelijkheid om kenmerken eigen aan de persoon te koppelen aan de arbeidsovereenkomst die hij uitvoert. In de brochure is dit beperkt tot het geslacht. Dit criterium is gebaseerd op het Rijksregister van de fysieke personen en de aanvullende bestanden van de KSZ (Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid).

Het statuut maakt het onderscheid tussen arbeider, bediende en ambtenaar.

Kenmerken eigen aan de vestigingseenheid

De plaats van de vestiging, die de plaats van tewerkstelling van de werknemer bepaalt, is de gemeente (van de vestigingseenheid) waar de werknemer is tewerkgesteld op het einde van het kwartaal. Ter herinnering: werknemers zonder vaste plaats van tewerkstelling, werknemers werkend bij de klant, gedetacheerde werknemers en thuiswerkers worden toegewezen aan de vestigingseenheid van de eigen onderneming waarvan zij administratief afhangen. Het basisniveau in deze brochure is het bestuurlijk arrondissement. Voor de werknemers van buitenlandse ondernemingen zonder vestiging in België moet een beperkte aanduiding van de plaats van tewerkstelling opgegeven worden. Ze worden afzonderlijk vermeld in de statistieken.  Werknemers van dit soort ondernemingen kunnen immers niet aan een specifiek arrondissement toegewezen worden wanneer ze hoofdzakelijk in het Vlaamse of Waalse gewest werken. Dit uitgezonderd werknemers die in het Brussels gewest of een van de Duitstalige gemeenten werken. Het Brussels Gewest is immers 1 arrondissement, en de Duitstalige gemeenten vormen samen ook 1 arrondissement. Voor het personeel van huishoudens, waarvoor in de aangifte ook enkel een beperkte aanduiding van de plaats van tewerkstelling vereist is, wordt de woonplaats van de werkgever als plaats van tewerkstelling beschouwd.

De economische activiteit betreft de hoofdactiviteit van de vestigingseenheid. De indeling geschiedt volgens de algemene systematische bedrijfsindeling in de Europese Gemeenschappen, de NACE-Bel. Het beroep of de functie die de werknemer uitoefent wordt hier niet in aanmerking genomen. De hoofdactiviteit van de vestiging wijkt alleen af van de hoofdactiviteit van de onderneming indien het een bijkomende (eind-)activiteit betreft. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een vzw een rusthuis én een beschuttende werkplaats op verschillende adressen beheert. De ene vestigingseenheid wordt opgenomen onder de activiteit rusten verzorgingstehuizen, de andere onder beschuttende werkplaatsen. Een bedrijfszetel waar enkel een hulpactiviteit van de onderneming wordt uitgevoerd (bijvoorbeeld: administratieve zetel, rekencentrum, opslagplaats, ...) wordt ingedeeld volgens de hoofdactiviteit van de onderneming.

De dimensie van de vestigingseenheid hangt af van het totaal aantal arbeidsplaatsen in die vestiging. Zo zijn er negen klassen in stijgende volgorde voorzien; zij omvatten de vestigingen met respectievelijk minder dan 5 werknemers, 5 t/m 9 werknemers, 10 t/m 19 werknemers, 20 t/m 49 werknemers, 50 t/m 99 werknemers, 100 t/m 199 werknemers, 200 t/m 499 werknemers, 500 t/m 999 werknemers en 1.000 of meer werknemers in dienst.

De sector maakt het onderscheid tussen privésector enerzijds en de overheidssector anderzijds. Het onderscheid dat gemaakt wordt tussen privé- en overheidssector is hetzelfde als dat voor de andere RSZ-statistieken gebruikt wordt. De onderwijssector is voor het overgrote deel opgenomen in de overheidssector. In principe worden, als een onderneming tot de overheidssector behoort, ook alle vestigingseenheden tot de overheidssector gerekend. In sommige gevallen echter oefent de inrichtende overheid van het vrij onderwijs nog andere activiteiten uit (bijvoorbeeld universitair ziekenhuis). De vestigingseenheden waar deze bijkomende activiteiten worden uitgeoefend worden in de privé-sector opgenomen. Hierdoor komt het zelfs voor dat ambtenaren zijn gelinkt aan vestigingseenheden die opgenomen zijn in de privé-sector. Het is duidelijk dat de opsplitsing tussen privé- en overheidssector en de indeling naar activiteit soms zeer delicaat is en dat een verhoging of een verlaging vastgesteld in één sector niet noodzakelijk te wijten is aan een vermindering of een vermeerdering van het personeel binnen de sector, maar ook het gevolg kan zijn van het herkwalificeren van werkgevers al of niet onder invloed van privatiseringen, verzelfstandiging van filialen, fusies, …

 


Kies een formaat